Bekijk voorbeeldzinnen, synoniemen en woordvormen van Tandpijn.

Tandpijn

Tandpijn betekenis

pijn in één of meerdere tanden

Synoniemen van Tandpijn

Voorbeeldzinnen (20)

Gisteren had ik tandpijn.

Ik heb flinke tandpijn.

Ik kon niet slapen door mijn tandpijn.

Ik heb tandpijn en wil naar de tandarts gaan.

Mijn jongste zus heeft sinds vannacht tandpijn.

Ik had de hele dag tandpijn.

Heb je nog tandpijn?

Ik heb tandpijn.

Heb je tandpijn?

Heeft u tandpijn?

Heb je last van tandpijn?

Heeft u last van tandpijn?

Hoe is het met je tandpijn?

Grace kreeg problemen aan haar botten, anderen hadden tandpijn.

Pijnstillend en ontstekingsremmend: Kruidnagels kunnen helpen om pijn en ontstekingen te verminderen, bijvoorbeeld bij tandpijn, kiespijn en artritis.

Tandpijn, jicht, kwade maag: met veel kruiden en vooral veel suiker en wijn erbij, zo worden recepten aangeleverd om het lijden te verzachten.

Ze kwamen als mens, met veel meer dan alleen maar tandpijn.

Wie tandpijn heeft, maar geen geld én geen aanvullende tandartsverzekering, zit flink in de penarie.

Je moet toch ook niet wennen aan tandpijn of aan chronische diarree?

De gelovigen kwamen hier om haar voorspraak te vragen bij tandpijn.