Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Teuten.

Teuten

Teuten betekenis

te langzaam iets doen, talmen, dralen, draaien en treuzelen | babbelen, kletsen, zeuren, zaniken, kwebbelen

Voorbeeldzinnen (20)

Soorten teuten Men kan een zestal groepen onderscheiden: *De ketellappers, goorteuten of koperteuten: Zij vormden ongeveer de helft van de Teuten.

Teuten uit Limburg waren katholiek, net als de meeste Teuten uit Westfalen.

Andere groepen hebben er geen zin meer in of hebben de carnavalsmaterialen verkocht, zegt Stijn Gilsing van De Teuten.

Europa zit maar over boycot te teuten, maar heb het idee dat ze Oekraïne geen of niet meer afdoende wapens leveren.

De teuten organiseerden zich in kleine gezelschappen.

Hier kwamen ook veel teuten.

In de eerste helft van de 19de eeuw kende Eksel 35 teuten, vooral koper- en textielteuten en dierensnijders.

Slabberjan wordt gespeeld met een zak vol houten speeldoppen, of 'teuten'.

Op zondag 06 mei 2012 organiseert de Fifty One Club “De Teuten”, in samenwerking met Defensie, de dertiende editie van hun Teutenroute.

Organisatoren Fifty-One Club De Teuten, Vliegbasis Kleine Brogel en het Provinciecommando Limburg verlengden zelfs de inschrijvingstijd voor de aanhoudende toestroom van tweewielers.

Magda leerde ons het verschil tussen leurders en Teuten.

In Sint-Huibrechts-Lille ging het over de Teuten en de mooie burgerhuizen die nog altijd getuigen van hun welvaart.

Als tegenhangers van de teuten kunnen de rusluie worden gezien.

Het oude cafeetje "De drie Teuten" wel levensecht met "cour" waarvan, tot grote hilariteit, vlak voor de eretribune gebruik werd gemaakt.

Een opslagplaats te Faaborg stamde uit 1789 en bleef bestaan tot 1816, maar ook daarna kwamen hier nog teuten.

Ook prikkelden de Teuten alsmaar de kooplust en droegen zij bij tot de modegevoeligheid van de klanten door een alsmaar veelzijdiger assortiment.

Museum Kempenland heeft naast een verzameling voorwerpen van de teuten ook een uniek "teutenarchief'.

De naam van het natuurgebied is afgeleid van de benaming van kooplieden of ambachtslieden die men teuten noemde.

De teuten vertrokken in de lente naar andere streken om daar rond te venten of er een winkel open te houden.

De teuten zorgden voor een aantal statige huizen waarvan enkele nog steeds bestaan.