Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Thuisblijven.

Thuisblijven

Thuisblijven betekenis

de eigen woning niet verlaten

Voorbeeldzinnen (20)

Iedereen die wil thuisblijven kan toch thuisblijven?

Ik zou vandaag liever uitgaan dan thuisblijven.

Wat doe je liever: naar de bioscoop gaan of thuisblijven?

Moet Tom thuisblijven vandaag?

Ik ben niet zeker of ik zou thuisblijven of uitgaan.

Ik stel voor dat we thuisblijven en tv-kijken.

Thuisblijven is niet leuk.

Tom wilde thuisblijven met Maria.

Ik zal vandaag thuisblijven.

We gaan vandaag thuisblijven.

Wij moesten thuisblijven vanwege de storm.

Ik zal morgen thuisblijven.

Thuisblijven is helemaal niet leuk.

Als het morgen regent, zal ik thuisblijven.

Als het regent, zullen we thuisblijven.

Mijn zus wilde niet alleen thuisblijven.

Mijn zusje wilde niet alleen thuisblijven.

Tom wilde niet alleen thuisblijven.

Laten we thuisblijven en tv kijken.

Tom wil niet thuisblijven.