Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Tyrannosauriden.

Tyrannosauriden

Voorbeeldzinnen (20)

Bij de meeste tyrannosauriden staat de bovenrand van het facet met het traanbeen haaks op de middennaad.

Bij de tyrannosauriden echter is de schedel gespecialiseerd in het toebrengen van een zo groot mogelijke verwonding per beet.

De achterste onderkant van het spleniale rust bij tyrannosauriden in een groeve in het angulare; bij Tarbosaurus is daarvóór een tweede kleinere groeve aanwezig overeenkomstig een iets afwijkende buiging van het blad.

De delen achter de schedel, de postcrania, tonen bij Tyrannosaurus maar weinig kenmerken die ook niet bij de andere tyrannosauriden te vinden zijn — afgezien opnieuw van hun grootte en robuuste bouw.

De dijbeenkop is naar het midden gericht; beschadigingen staan niet toe te bepalen of hij ook naar boven gericht was zoals bij de tyrannosauriden.

De kop van het opperarmbeen heeft vermoedelijk de basale afgeplatte vorm en is niet bolvormig als bij de tyrannosauriden.

De richels op het darmbeen, de grote voet van het schaambeen en de verruwing op het zitbeen zouden wijzen op een verwantschap met de latere Amerikaanse tyrannosauriden.

De voet heeft een opvallend afgeleide vorm zoals bij tyrannosauriden, waarbij de bovenkant van het derde middenvoetsbeen toegeknepen wordt door het tweede en vierde middenvoetsbeen.

De wervels zijn relatief lang: Dryptosaurus had dus niet de verkorte staart van de tyrannosauriden.

De wond was echter geheeld, zodat het pantser ook tegen tyrannosauriden nog een relatieve bescherming bood.

Die richel is schuin naar voren en binnen gericht zoals bij de meeste tyrannosauriden.

Dit is gepneumatiseerd: het heeft een gezwollen tak als verbinding met het jukbeen en wordt aan de onderzijde doorboord door een pneumatisch foramen, als bij de tyrannosauriden.

Het tanddragend bot, het dentarium, is hoog maar niet hoger ten opzichte van de lengte van de tandrij dan bij andere tyrannosauriden.

Horner is geen echte specialist op het gebied van de studie van tyrannosauriden.

Nog in 1997 zag Carpenter geen duidelijke aanwijzingen voor een nauwe verwantschap met de tyrannosauriden en bleef hij Dryptosaurus in een eigen Dryptosauridae onderbrengen.

Volgens een studie van Gregory Erickson bleven tyrannosauriden in het begin vrij klein om pas in hun puberteit snel in grootte toe te nemen.

Zo'n bouw staat tussen de platte voorkant van Guanlong en Dilong en de diepe extensorgroeve bij de tyrannosauriden in.

Bij tyrannosauriden is dit meestal het geval bij de tweede dentaire tand.

De schedel van Tyrannosaurus is overeenkomstig achteraan uitzonderlijk breed voor een theropode: de breedte bedraagt twee derden van de lengte; zelfs bij andere tyrannosauriden is dat hoogstens de helft.

Dit laatste exemplaar bleek namelijk bij het uitvoeren van een kladistische analyse buiten de tyrannosauriden te vallen doordat de juveniele kenmerken, die lijken op die van de voorouders, een te basale positie in de stamboom veroorzaakten.