Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Violoncello.
Violoncello
Violoncello betekenis
een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de violoncellist of cellist tussen de knieën wordt gehouden
Voorbeeldzinnen (14)
In de reeds genoemde 'Walsh'-uitgave worden deze sonates aangeduid als 'solosonates met generale-basstem voor cembalo of violoncello'.
Interessant is Siblins ontmoeting met Dmitri Badiarov, die in Brussel woont en de violoncello piccolo bespeelt.
In eigen beheer bracht Steenbergen een cd uit met prachtige, ingetogen en rustgevende solomuziek: Bach Suites for violoncello, played on a fifth-bass guitar.
Hij kreeg de naam violoncello, wat kleine cello betekent.
Een cellist is een muzikant die de violoncello bespeelt.
Het instrument werd violoncello genoemd.
Gebruik De contrabas werd ook gebruikt als een octaaf lagere verdubbeling van de violoncello (vandaar ook de Engelse benaming double-bass).
Op de voorkant van dit manuscript valt te lezen: Suiten mit Preluden für das Violoncello von Joh.
Al in 1924 won hij de eerste prijs met zijn compositie Sonata per pianoforte, violino e violoncello in de compositiewedstrijd van de Società Italiana di Musica Contemporanea.
De violoncello is vernoemd naar Jean-Pierre Duport die het instrument rond 1800 bespeelde.
Etymologie en andere benamingen De naam violoncello, waarvan 'cello' een verkleinwoord is, is voortgekomen uit de violone, de 'grote viool'.
Hierna volgen 4 chromatische toonladders die worden gespeeld door violoncello, contrabas en piano.
Max Bruch heeft hiervoor in 1880 een muziekstuk met gelijknamige naam voor violoncello en symfonieorkest gecomponeerd.
Violone betekent dus 'grote viool' en violoncello dus 'kleine grote viool'.
Bekijk perfecte rijmwoorden, halfrijm en assonantie op WatRijmtOp.nl