Hieronder vind je voorbeeldzinnen met "huis gegaan". Zo zie je hoe dit zinsdeel in gewone zinnen wordt gebruikt en welke woorden er vaak omheen staan.

Huis Gegaan in een zin

Over dit zinsdeel

Voorbeeldtypes met huis gegaan

Hieronder zijn de voorbeeldzinnen gegroepeerd op lengte en zinsoort:

Hij is naar huis gegaan. (5 woorden)

Is Tom naar huis gegaan? (5 woorden)

Wanneer zijn ze naar huis gegaan? (6 woorden)

Met een antibiotica naar huis gegaan, de pijn was weer iets minder geworden, maar weer na 4 nachten met hevige pijnen, kon ik het niet meer uithouden van de pijn en bn met spoed naar een ziekenhuis gegaan. (38 woorden)

We zijn toen naar de uitgang gegaan en daar kregen we nog een leuk T-shirt en toen zijn we na een geslaagde dag weer naar huis gegaan. (28 woorden)

We zijn toen vervroegd naar huis gegaan (moest eerst een hoop geregeld worden) en eenmaal weer aangekomen in Nederland ben ik direct naar mijn huisarts gegaan. (26 woorden)

Wanneer zijn ze naar huis gegaan? (6 woorden)

Ben jij gisteren na school direct naar huis gegaan? (9 woorden)

Is Tom naar huis gegaan? (5 woorden)

Voorbeeldzinnen (20)

Met een antibiotica naar huis gegaan, de pijn was weer iets minder geworden, maar weer na 4 nachten met hevige pijnen, kon ik het niet meer uithouden van de pijn en bn met spoed naar een ziekenhuis gegaan.

We zijn toen vervroegd naar huis gegaan (moest eerst een hoop geregeld worden) en eenmaal weer aangekomen in Nederland ben ik direct naar mijn huisarts gegaan.

We zijn toen naar de uitgang gegaan en daar kregen we nog een leuk T-shirt en toen zijn we na een geslaagde dag weer naar huis gegaan.

De inwoner had nog twee boekjes met loten van de Zonnebloem en was huis-aan-huis gegaan om deze nog te verkopen.

Hij was van huis gegaan en had zijn kinderen in het afgesloten huis achter gelaten.

Het was al laat, dus ik ben naar huis gegaan.

Wanneer zijn ze naar huis gegaan?

Ik heb de laatste bus gemist en ik ben met de taxi naar huis gegaan.

Hij is te voet naar huis gegaan.

Hij is te voet weer terug naar huis gegaan.

Hij is naar huis gegaan.

Hij is naar zijn huis gegaan.

Ben jij gisteren na school direct naar huis gegaan?

Hij is hier niet. Hij is naar huis gegaan.

Ik ben naar een huis gegaan waar het spookt.

Is Tom naar huis gegaan?

Tom had niets te doen, dus is hij naar huis gegaan.

Ze zijn al naar huis gegaan.

Waarom ben je naar huis gegaan?

Tom is vast naar huis gegaan.