Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Zondigheid.

Zondigheid

Zondigheid betekenis

het zondig zijn; de mate waarin men zondig is; de zondige aard

Voorbeeldzinnen (20)

Denk aan al de bacillen van de meiden die Damon in zijn hol van zondigheid lokte.

Laten wij afzien van elk eetfestijn, maar méér nog van zondigheid.

Grote neuzen waren destijds een algemeen symbool van zondigheid, schrijft Lipton, en kregen pas later een specifiek Joodse connotatie.

Ook deze zou ik doen, maar uiteraard alleen in het volledige besef van de zondigheid des vlezes.

Belangrijk thema is de loutering, berouw en overwinnen van de eigen zondigheid.

De dorre tak of de dorre boom stond in de late Middeleeuwen symbool voor zondigheid.

Hij werd veroordeeld voor incompetentie en zondigheid en kreeg een boete.

Inhoudelijk schreef hij sombere gedachten neer, met christelijke commentaren over de zondigheid in de wereld.

Ockham leerde dat de mens niet in zijn kern door de zondigheid is aangetast.

Volgens hen moet iemand eerst zijn eigen totale zondigheid ervaren hebben voordat God hem kan bekeren.

Ze schreeuwde op straat haar zondigheid uit, in eerste instantie vanaf het dak van haar geboortehuis, zelfs midden in de nacht.

Dit soort vormen van gereformeerde zondigheid gebeuren dus ook buiten Urk, tot ver over de grens van de gemeente Staphorst.

Het moet dan wel heel erg zijn als je familie en gemeente je hersenspoelt met dit soort ellende van zondigheid.

Vrije wil, schuld en zondigheid, het zijn de instrumenten die priesters gebruiken om het volk te knechten.

Er zijn kunstkenners die het verhaal in het schilderij omschrijven als ‘de zondigheid van de mensheid’.

Onderhand mag je van orthodox religieuzen, van welk geloof dan ook, eisen dat ze hun onzin over de zondigheid van homoseksualiteit herroepen.

Wie zich z'n zondigheid laat aanpraten is (via opzich gezonde zelftwijfel) al bijna verloren.

Wat de verhouding stad en platteland betreft: de stad is de poel des verderfs, zondigheid, chaos en hoererij, het platteland een oase van rust, wijze boeren en productie van voedsel.

Zo blijft de Jood onze eigen zondigheid maar in seculiere termen wordt dat onze moderne ‘vervreemding’, materialisme (zielloosheid), hebzucht, inauthenticiteit, e.d. die moet worden overwonnen in een nieuwe, socialistische samenleving.

Tegelijkertijd was hij een realist, die weet had van de zwakheid en zondigheid van ons mensen.