Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Aankijken.

Aankijken

Aankijken | Aankijk | Aankijkend | Aankijkende

Aankijken betekenis

aanzien; de blik op iemands gezicht zichten | elkaar ~ de blik op elkaars gezicht richten | beoordelen

Voorbeeldzinnen (20)

In Het glinsterend pantser laat hij Adri de schrijver S. plotseling en volkomen onverwacht aankijken ‘zoals niet veel meisjes mannen moeten aankijken, wil het goed blijven gaan op de wereld’.

Mannelijke automobilisten zijn het gevoeligst voor aankijken en ze zijn gevoeliger voor aankijken door een mannelijke voetganger dan door een vrouwelijke voetganger.

Daarna kon hij nooit meer zijn vrouw aankijken.

Tom en Maria bleven elkaar aankijken.

Iedereen was mij aan het aankijken.

Kun je me aankijken?

Ik wil u niet aankijken als ik het doe.

Moet je mij niet aankijken.

Ik kan je niet eens aankijken.

Waarom zou ik dat willen aankijken?

Kun je je eigen moeder niet aankijken?

Net als Daniel die het leeuwenhol betrad, zullen wij het beest in de ogen aankijken.

Kun je me echt aankijken en dat serieus zeggen?

Je zult geen vragen stellen, je zult de Koning niet aankijken.

Afgestraft voor je hypocrisie en wie kun je daarvoor aankijken?

Alleen al boos aankijken levert een 'tantrum' op.

Dat ongemak van elkaar moeten aankijken en dan toch niets mogen zeggen.

Dat zijn de VVD-protocollen sinds Rutte, daar kun je haar niet op aankijken.

De film maakt pijnlijk duidelijk waarom: wie zou zichzelf na deze horror nog in de spiegel kunnen aankijken?

De finale tussen DOVO en Ede/Victoria voor spelers O18 was het aankijken meer dan waard.