Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Ambachtsheer.

Ambachtsheer

Ambachtsheer betekenis

een heer met plaatselijke regeermacht en bevoegdheid tot rechtspraak in de z.g. ambachtsheerlijkheid

Voorbeeldzinnen (20)

Vriendenschaar startte met Arjanne Ambachtsheer en Peter Visscher in de basis en was vanaf de eerste minuut de bovenliggende partij.

Abraham van Rouveroy van Nieuwaal beschouwde zich ten onrechte als ambachtsheer, evenals zijn voorvader(en).

Binnen staat het gestoelte van de Ambachtsheer van Eemnes.

De ingang wordt gevormd door een natuurstenen poortje met het jaartal 1729 en het wapen van den toenmalige ambachtsheer Cornelis Sprongh.

Een ambachtsheer mocht recht spreken over een bepaald gebied, dit besturen en bijvoorbeeld ook belastingen innen.

Een andere verre tak van de Rouveroy familie was/is wel gerechtigd om de titel ambachtsheer te dragen.

Hij was de 23ste ambachtsheer van Ridderkerk.

Hij werd in opvolging van zijn vader heer van Dussen, van den Hage en ambachtsheer van Aartswaarde.

In 1711 kreeg Mr. Huybertus Stoutenburg, ambachtsheer van Campens-Nieuwland het octrooi voor de bedijking van enkele schorren.

In 1841 werd mr. Hendrik Six, ambachtsheer van Hillegom, op diens verzoek ingelijfd in de Nederlandse adel op basis van de vermeende, en later niet bewezen verklaarde afstamming van de ridder Landry Six die leefde in 1080 in Armentières.

In deze vergadering werd op voorstel van ambachtsheer Pieter Grinwis besloten om, indien geen ander geschikt huis gevonden kon worden, over te gaan tot het bouwen van een rechthuis.

Nicolaas Oem van Arkel werd vaak door de oudere geschiedschrijvers verward met Claes Oem, ambachtsheer van Dubbeldam, die gehuwd was met Johanna van Arkel van Bokhoven.

Omdat de familie van Leyden ook al ambachtsheer was van West Barendrecht zijn deze beide heerlijkheden daarna gezamenlijk bestuurd en met invoering van de gemeenten ook als gemeente West Barendrecht op de kaart gezet.

Onder de heren was de prelaat, dat was de abt, later de bisschop van Middelburg, de voornaamste als ambachtsheer van Oostkapelle.

Tot 1627 bleef het goed in bezit van de familie, toen werd het verkocht aan Guido Laurijn, en later kwam het aan Guido De Deckere, die ambachtsheer van Boekhoute was.

Tot de achttiende eeuw stond op deze plek de boerderij van Jan van Veeren, de ambachtsheer van Bunschoten.

Waarschijnlijk was de toenmalige ambachtsheer van Krabbendijke nog rooms-katholiek.

Ze werden voortaan benoemd door gemeente of ambachtsheer, en betaald door een schoolfonds met deelname van de overheid.

Deze activiteit is, samen met de Maatschappelijke Agenda, georganiseerd door de Stichting Oranje Trouw, waarvan Danielle Ambachtsheer sinds kort voorzitter is.

Het motorgeluid van de Ford Taunus van Bertus Ambachtsheer (68) is zó mooi dat ‘ie niet eens de radio aanzet tijdens het rijden.