Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Benijden.

Benijden

Benijden betekenis

wensen dat men zelf mocht hebben wat een ander heeft en met de nodige pijn ervaren dat dat niet het geval is, jaloers zijn

Voorbeeldzinnen (20)

Er is eindelijk een reden dat de hele wereld je kan benijden?

Als winnaar van ééndagswedstrijden als de Ronde van Vlaanderen, Milaan-Sanremo, Gent-Wevelgem én twee keer de Scheldeprijs heeft de Noor een te benijden palmares bij elkaar gefietst.

Maar met de kennis van nu waren beiden, zoals Ruud Gullit zou zeggen, niet te benijden.

Trainer Ruud van Nistelrooij is volgens hem niet te benijden bij het maken van keuzes, maar de coach ziet zelf geen probleem.

Wat zou er in zijn hoofd omgaanHij is niet te benijden.

Wie de politieke geschiedenis van de jongste dertig jaar niet kent, zou kunnen geloven dat Tom Van Grieken over een geheime kracht beschikt waar menig superheld hem om zou benijden.

Als er iets te onthouden valt uit de hele saga rond Kim Meylemans, dan wel dat het verblijf op de Olympische Winterspelen in Peking niet te benijden valt.

De Limburgse Statenleden – parttimepolitici die daarnaast meestal ook nog een gewone baan hebben – zijn niet te benijden.

De overlevenden zijn niet echt te benijden, vrees ik.

Die Bulgaar is niet te benijden.

Geen enkele Bulgaar is te benijden; en dat nog in Amsterdam, in een Appelwinkel.

Jetten is een niet te benijden man, zou niet weten waarom we jaloers moeten zijn.

Overigens zijn de reizigers op Schiphol niet te benijden, vakantiestress.

Trainers zijn nog minder te benijden dan vroeger.

We benijden treinreizigers niet want er is iedere keer wel wat met de NS of ProRail, meent Lucas Meijer.

De Jonge is niet te benijden, ook al ben je dan minister.

De opvolger valt niet te benijden want de puinhoop heeft zich aardig opgestapeld.

Het Verenigd Koninkrijk (VK) is momenteel niet te benijden.

Hugo is niet te benijden.

Je bent kortom niet te benijden als je in deze tijd in de zorg werkzaam bent.