Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Bokkenrijder.

Bokkenrijder

Bokkenrijder betekenis

berijder van een bok [1] | lid van een van de bendes van dieven, afpersers en plegers van gewelddadige berovingen in delen van de huidige provincies Limburg in de 18e eeuw | persoon of geest waarvan men zei dat ze op bokken [1] door de lucht reden, vaak over één kam geschoren met de onder [2] genoemde roversbende

Voorbeeldzinnen (7)

De politie vraagt Bokkenrijder-expert Anna advies.

Zo worden er ook allerlei streekproducten geproduceerd in het kader van de Bokkenrijder.

Een bokkenrijder berecht in Antwerpen.

De attractie Villa Volta in de Efteling is een huis ( madhouse ) dat door de 'bokkenrijder' Hugo van den Loonsche Duynen bewoond zou zijn geweest.

Haar tante Anna Maria Vanschoenwinkel kocht in 1776 haar echtgenoot-Bokkenrijder Lambrechts Jan vrij van het schavot.

Jan van Muysen werd op April 1 1774 als bokkenrijder aangehouden en op 16 juni in de Bonderkuil van Wellen onthoofd.

In het centrum van Schaesberg in de gemeente Landgraaf staat een beeld van een bokkenrijder.