Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Jaag.

Jaag

Voorbeeldzinnen (20)

Ik jaag niet op trofeeën, ik jaag op wild om het te eten.

Jaag mij zo geen schrik aan.

Ik jaag ze hier niet weg.

Jaag hem hier weg!

Jaag me niet zo op.

Met „amen!” alleen, jaag je de duivel niet heen.

Jaag ze op!

Jaag hem op!

Jaag hem constant op!

Jaag je dromen na.

Jaag ze een bliksemschicht in hun reet en laat de zuivere, strakke, heerlijke engelen bij ons.

Ik jaag het wel weg.

Niet "jaag al de gevangene schrik aan en zorg dat je geschorst wordt".

Als je het OV gratis maakt, zit het complete dakloze smaldeel de ganse dag kriskras door Nederland in de trein, daar jaag je de andere reizigers mee weg.

Anders jaag ik hem weg bij dit tafeltje.

Daarmee jaag je alleen maar jezelf onnodig op kosten.

Daarmee jaag je landbouw en industrie alleen maar op de kast, terwijl zij juist degenen zijn die dat beleid moeten uitvoeren.

Dat is niets als ik zie wat ik er op een dag doorheen jaag aan geld voor boodschappen.

Die jaag je niet weg, maar behoud je voor Nederland.

Jaag, de Nederlandse (koeien)veeteelt weg en massale ontbossing van het Amazone gebied is het gevolg.