Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Kootje.

Kootje

Kootje | Kooten | Koot | Kootjes | Kooter | Kootjebroek | Koots

Kootje betekenis

benig lid van het geraamte van vingers en tenen voorbij de middenhands- of middenvoetsbeenderen van een gewervelde

Voorbeeldzinnen (20)

Dit kootje draagt onderaan wel een scharniergewricht, het contact met het tweede kootje, een voetklauw die zwak gekromd is, driehoekig in dwarsdoorsnede en ongeveer even lang als het eerst kootje.

Een hamerteen is een teen waarvan het eerste kootje naar boven staat, het tweede kootje naar beneden, en het derde kootje recht.

Bewaard zijn gebleven een ellepijp, een eerste kootje van de eerste vinger, een tweede kootje ofwel handklauw van de eerste vinger en de onderkant van een derde middenvoetsbeen.

Bij de meeste thetropoden is het derde kootje veel langer en bij de Scansoriopterygidae het eerste kootje.

Bij leptoceratopiden is het voorlaatste kootje duidelijk korter, met tussen de 75% en 90% van de lengte, dan het voorliggende kootje.

De ellepijp is even lang als het eerste kootje van de vierde vinger, twee centimeter, en het derde kootje van de vierde vinger is even lang als het dijbeen, veertien millimeter.

De voorlaatste vingerkootjes die de klauwen dragen zijn het langst; het eerste kootje van de eerste vinger is met 76,3 millimeter verreweg het langste element van de hand, vijf keer langer dan het eerste kootje van de derde vinger.

Dit kootje draagt de sikkelklauw, zelf het derde kootje.

Een bovenste langer element, met een lengte van drieëntwintig millimeter, lijkt als eerste kootje de plaats van het normale korte eerste en tweede kootje te hebben ingenomen.

Het eerste kootje van derde vinger heeft twee derden van de lengte van het eerste kootje van de tweede vinger.

Het tweede kootje is juist iets korter; het derde en vierde kootje lopen snel in lengte af.

Het tweede kootje is langer dan het eerste; het vierde kootje is nogal kort.

Het vierde kootje heeft nog altijd 80% van de lengte van het tweede kootje.

In 2012 stelde Currie dat het kenmerk van het brede tweede kootje van de vierde teen op een verwisseling met het eerste kootje berust.

Opvallend bij de tweede is het extreem verdunnen van het tweede kootje ten opzicht van het eerste kootje.

Verder werd de knik in het tweede kootje van de vijfde teen nu aangegeven als 145° en gepreciseerd dat het bovendeel van dit kootje 30% van de lengte had van het onderste deel.

De klauw van de eerste vinger, het tweede kootje daarvan, is zeer robuust en anderhalf maal langer dan de klauw, of vierde kootje, van de derde vinger.

Het derde kootje is veel langer maar ook veel dunner met maar de helft van de doorsnede van het tweede kootje met uitzondering van de verbrede bovenkant.

Het kortere tweede kootje is steviger gebouwd en heeft een verheven scharniergewricht dat extreme strekking en aldus de heffing van het derde kootje, de klauw, toestaat; dit klauwtje is echter niet bijzonder vergroot ten opzicht van de andere teenklauwen.

Het tweede kootje van de tweede vinger is aanzienlijk langer dan het eerste kootje.