Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Logeeren.

Logeeren

Logeeren | Logeerde | Logeerden | Logeer

Voorbeeldzinnen (4)

Ze logeeren overal fijn, de beste blikjes-kost wordt hun voorgezet en champagne wordt allerwege geschonken.

De Hr. van Amstel en ik zouden bij haar logeeren, de Hr. v. Houten bij den Prins.

Hoewel ik er nog niet voor in het ‘Ritz hotel’ kan gaan logeeren, waren zij toch de ‘Vader’ van een luchtig oogenblikje ‘tusschen twee nachtmerries’.

De volgende passage geeft aan wat ik bedoel: `Kon zij, Evelientje, dan logeeren bij die � boeren?