Bekijk voorbeeldzinnen, synoniemen en woordvormen van Opbouwen.

Opbouwen

Opbouwen betekenis

maken uit losse onderdelen | laten ontstaan

Synoniemen van Opbouwen

Voorbeeldzinnen (20)

Met de opkomst van nieuwe – meer flexibele – bouwtechnieken lijkt het dat opbouwen, weer afbreken en elders weer opbouwen van woningen makkelijker en minder milieubelastend kan zijn.

Ze hebben niks opgebouwd want dat kunnen ze niet: als Marokkanen iets konden opbouwen, zouden ze hun eigen land wel opbouwen.

Niet alleen zou het verplicht opbouwen van pensioen ervoor zorgen dat zzp'ers voldoende pensioen opbouwen, maar het zou er ook voor zorgen dat flexibele contracten minder gemakkelijk "misbruikt" worden om loonkosten laag te houden.

Het gevolg is dat ze dus geen 'echt' sociaal leven opbouwen, en het 'sociale' leven dat ze via snapchat opbouwen is totaal waardeloos.

Die lopen voor geen meter onde Wayland, traag opbouwen van de schermen, opbouwen van windows en sluiten gaat soms langzaam.

DE LAATSTE zucht van de Moor draait rond de verdeelde familie die het Handelshuis Da Gama-Zogoiby, grootgeworden door de peperhandel, verder opbouwen, afbreken en weer opbouwen als een facgade voor wapen- en drugshandel.

En maar schreeuwen we ons land opbouwen ga G.V.D. daar opbouwen en laat ons met rust.

Of het nu gaat om spierkracht, denkvermogen of sociale relaties: wie lang, gezond en gelukkig wil leven moet reserves opbouwen, onderhouden, indien nodig verbruiken en zo mogelijk weer opbouwen.

Door het op langere termijn opbouwen van netwerken van mensen die grip willen krijgen op hun leven en het wereldgebeuren, die zelf democratische structuren opbouwen en handelend willen optreden, ontstaat perspektief op verandering.

Het is moeilijk om alle stappen samen te vatten waarmee Orbán al zeven jaar een regime aan het opbouwen is waar het volk minder vrij wordt, meer afhankelijk van de staatsmacht, meer nationalistisch en protectionistisch.

Ze kwamen tot een overeenkomst rond de manier waarop ze een samenwerkingsverband zouden opbouwen.

Ik wil mijn woordenschat opbouwen.

Het duurde jaren, het opbouwen van mijn naam.

Haar idee van een band opbouwen.

Een plek zonder toeristen, waar men iets nieuws kan opbouwen.

Die kun je ontleden en opnieuw opbouwen.

We kunnen iets als een junior thesium doen, zoals de immuniteit van kinderen opbouwen op natuurlijke wijze.

We moeten het gaan opbouwen, toch?

Ik ben een leger aan het opbouwen.

We moeten hem misschien opnieuw opbouwen.