Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Traanbeen.

Traanbeen

Traanbeen | Traanbeenderen

Traanbeen betekenis

een van de beederen van de schedel

Voorbeeldzinnen (20)

De opgaande tak heeft een gesplitst uiteinde waarvan de bovenste vork tussen het neusbeen en het traanbeen steekt, het neusbeen met een lang binnenste contactfacet rakend, en de onderste tak intern onder het traanbeen door gaat.

Achter het traanbeen is er een niet-versmolten prefrontale dat weer uitloopt in het postorbitale; beide beenderen zetten bovenop de verruwingen verder.

Beide stukken lopen echter niet direct in elkaar over maar worden gescheiden door een naar voren bollende uitstulping van de buitenwand van het traanbeen, anders dan bij Torvosaurus.

Bij de meeste tyrannosauriden staat de bovenrand van het facet met het traanbeen haaks op de middennaad.

Bovenaan de oogkas scheidt een klein prefrontale het traanbeen van het voorhoofdsbeen.

Boven en achter de fenestra antorbitalis vormen twee beenplaten van het traanbeen een deel van de fossa.

Dat wordt weer van het neusgat gescheiden door een lange opgaande tak van het bovenkaaksbeen en van de oogkas door een gewrongen traanbeen.

De achterste tak van de praemaxilla raakt het traanbeen niet.

De balk van het jukbeen achter zijn verbinding met het traanbeen is daarbij zeer dun en verticaal afgeplat zodat het wat naar boven kon buigen.

De binnenhoek van het traanbeen is uitgehold door een groeve die weer voorzien is van een foramen pneumaticum.

De buitenste zijkant van het traanbeen heeft een pneumatische opening.

De fossa antorbitalis reikt tot over het raakpunt van bovenkaaksbeen, traanbeen en jukbeen.

De meer achterste elementen van de schedel, zoals het bovenkaaksbeen, het neusbeen, het traanbeen en het jukbeen, zijn zwaar vergroeid en hun precieze begrenzing is onduidelijk.

De opgaande tak van het bovenkaaksbeen steekt bij de bovenste snuitrand in een bovenste tak van het traanbeen, door welke tak het aan de buitenkant en binnenkant omvat wordt.

De praemaxilla heeft een rechthoekige naar achteren lopende tak die tot aan het traanbeen reikt maar het neusbeen niet raakt, een uniek kenmerk.

De punt van de opgaande tak overlapt de achterkant van de neergaande tak van het traanbeen iets aan de buitenkant; lager overlapt deze neergaande tak aan de binnenkant juist de opgaande tak.

De schacht van het traanbeen is plaatvormig, breed in zijaanzicht met een platte buitenkant.

De tak naar het jukbeen raakt het traanbeen niet en steekt ook niet ver naar achteren uit.

De tak van het bovenkaaksbeen naar het traanbeen heeft een basis waarvan de breedte, van voor naar achteren gemeten, 30% bedraagt van de lengte van de tak.

De voorrand van de neergaande tak van het traanbeen heeft een diepe trog tussen de binnenwand en buitenwand.