Bekijk voorbeeldzinnen, synoniemen en woordvormen van Vraagstuk.

Vraagstuk

Vraagstuk betekenis

dilemma, probleem | opgave, probleem

Synoniemen van Vraagstuk

Voorbeeldzinnen (20)

Volgens de CBvS is het wisselkoersvraagstuk geen op-zichzelf-staand vraagstuk, hoewel de indruk helaas wel ontstaat alsof er sprake is van een ‘stand-alone’ vraagstuk op grond van de vele commentaren.

Pierce zag slavernij niet als een moreel vraagstuk, maar als een vraagstuk van bezit.

Het stikstof vraagstuk met het klimaat vraagstuk verwarren bijvoorbeeld.

Informatiebeveiliging is niet louter een technisch vraagstuk, maar vooral ook een organisatorisch/bestuurlijk vraagstuk.

Voor dit vraagstuk dient een gezamenlijk gedragen beeld van de beleidskaders gedefinieerd te worden Waarna de marsroute moet worden bepaald waarlangs het vraagstuk kan worden opgelost.

Daarom is het vraagstuk van een meer evenwichtige energievoorziening niet alleen een nationaal, maar ook een internationaal vraagstuk.

Men schijnt het NOOIT te kunnen leren uit het verleden.” toevoegen dat ook NOOIT geleerd is en al worden bij het occupatie vraagstuk en het FRAUDE vraagstuk, dat het na enkele jaren het wetsvoorstel van FRAUDE nog steeds op de stofplan ligt.

Ik blijf het daarom herhalen dat dit vraagstuk in Suriname is verworden tot een groot politiek vraagstuk.

Een vraagstuk binnen het vraagstuk is dat de beeldend kunstenaar binnen de culturele disciplines een speciale plaats inneemt.

In beginsel hebben ze gelijk dat bezuidingen niet goed is voor de economie, maar het vraagstuk waar we het over hebben is niet over economie, maar een vraagstuk van sanering van het saneren van de financien van dit land.

De Grote Oosterse Kwestie, ook kortweg oosterse kwestie of oosters vraagstuk genoemd, was het vraagstuk wat er met de grondgebieden van het Osmaanse Rijk moest gebeuren, wanneer dit de geest zou geven.

Inleiding * Karl Marx – Het vraagstuk der Joden (Zur Judenfrage) Een bespreking van twee geschriften van Bruno Bauer over het vraagstuk der Joden.

Ik vond het vraagstuk gemakkelijker dan ik had verwacht.

Niemand van zijn studenten kon het vraagstuk oplossen.

Hij probeerde het vraagstuk op te lossen, dat hij heel moeilijk vond.

Ik heb het vraagstuk gemakkelijk opgelost.

Ik heb het vraagstuk heel gemakkelijk opgelost.

Wie heeft het moeilijke vraagstuk opgelost?

Niemand van de leerkrachten heeft het vraagstuk kunnen oplossen.

Ik was vanochtend in staat om het vraagstuk op te lossen.