Hieronder vind je voorbeeldzinnen met "mary zeiden". De voorbeelden laten zien hoe dit zinsdeel in natuurlijke context wordt gebruikt en welke woorden er vaak omheen staan.
Mary Zeiden in een zin
Corpusgegevens
- Aantal getoonde voorbeeldzinnen: 20
- Gevonden als combinatie bij: zeiden
- Corpusfrequentie binnen de collocatiescan: 31
- Lengte van het zinsdeel: 2 woorden
- Gemiddelde zinslengte: 10.7 woorden
Zinsprofiel
- Plaats van het zinsdeel: 16 begin, 4 midden, 0 einde
- Zinsoorten: 20 stellend, 0 vragen, 0 uitroepen
Corpusanalyse
- Het zinsdeel "mary zeiden" bestaat uit 2 woorden en staat in deze voorbeelden meestal aan het begin. De gemiddelde zin telt 10.7 woorden en bestaat vooral uit stellende zinnen.
- Rond dit zinsdeel zie je vooral patronen en contextwoorden zoals tom en mary zeiden dat ze, tom en mary zeiden dat zij, tom, john en dachten.
- Deze combinatie sluit in de zinsdelenindex aan op maria zeiden, queen mary, vertelde mary, maria zeiden, ouders zeiden en sommigen zeiden, waardoor de pagina inhoudelijk verbonden is met nabije combinaties.
Voorbeeldtypes met mary zeiden
Deze selectie verdeelt de voorbeeldzinnen naar lengte en zinsoort, zodat het gebruik van de hele combinatie sneller scanbaar is:
Tom en Mary zeiden dat ze tevreden waren. (8 woorden)
Tom en Mary zeiden dat ze niet zwommen. (8 woorden)
Tom en Mary zeiden dat ze zouden wachten. (8 woorden)
Tom en Mary zeiden dat zij dachten dat John altijd op maandag op zijn kantoor was. (16 woorden)
Tom en Mary zeiden dat ze dachten dat John gereed was om dat te doen. (15 woorden)
Tom en Mary zeiden dat ze zouden liever niet naar John's partij gaan. (14 woorden)
Voorbeeldzinnen (20)
Tom en Mary zeiden dat zij dachten dat John altijd op maandag op zijn kantoor was.
Tom en Mary zeiden dat ze tevreden waren.
Tom en Mary zeiden dat ze dachten dat John gereed was om dat te doen.
Tom en Mary zeiden dat ze het daarmee eens waren.
Tom en Mary zeiden dat ze de politie hadden gebeld.
Tom en Mary zeiden dat ze niet zwommen.
Tom en Mary zeiden dat ze met je willen praten.
Tom en Mary zeiden dat ze van plan zijn maandag te gaan.
Tom en Mary zeiden dat ze zouden liever niet naar John's partij gaan.
Tom en Mary zeiden dat ze niet veel geld hadden.
Tom en Mary zeiden dat ze niet zouden komen.
Tom en Mary zeiden dat ze me nooit meer zouden zien.
Tom en Mary zeiden dat ze wisten dat John de race niet zou winnen.
Tom en Mary zeiden dat ze geen pijn hadden.
Tom en Mary zeiden dat ze dat wel zouden willen doen.
Tom en Mary zeiden dat ze bereid waren om te rijden.
Tom en Mary zeiden dat ze vroeg zouden komen.
Tom en Mary zeiden dat ze zouden wachten.
Tom en Mary zeiden dat ze daar geen energie voor hadden.
Tom en Mary zeiden dat ze boos waren.