Hieronder vind je voorbeeldzinnen met "mary zeiden". Zo zie je hoe dit zinsdeel in gewone zinnen wordt gebruikt en welke woorden er vaak omheen staan.
Mary Zeiden in een zin
Over dit zinsdeel
- Hoort bij het woord: zeiden
Voorbeeldtypes met mary zeiden
Hieronder zijn de voorbeeldzinnen gegroepeerd op lengte en zinsoort:
Tom en Mary zeiden dat ze tevreden waren. (8 woorden)
Tom en Mary zeiden dat ze niet zwommen. (8 woorden)
Tom en Mary zeiden dat ze zouden wachten. (8 woorden)
Tom en Mary zeiden dat zij dachten dat John altijd op maandag op zijn kantoor was. (16 woorden)
Tom en Mary zeiden dat ze dachten dat John gereed was om dat te doen. (15 woorden)
Tom en Mary zeiden dat ze zouden liever niet naar John's partij gaan. (14 woorden)
Voorbeeldzinnen (20)
Tom en Mary zeiden dat zij dachten dat John altijd op maandag op zijn kantoor was.
Tom en Mary zeiden dat ze tevreden waren.
Tom en Mary zeiden dat ze dachten dat John gereed was om dat te doen.
Tom en Mary zeiden dat ze het daarmee eens waren.
Tom en Mary zeiden dat ze de politie hadden gebeld.
Tom en Mary zeiden dat ze niet zwommen.
Tom en Mary zeiden dat ze met je willen praten.
Tom en Mary zeiden dat ze van plan zijn maandag te gaan.
Tom en Mary zeiden dat ze zouden liever niet naar John's partij gaan.
Tom en Mary zeiden dat ze niet veel geld hadden.
Tom en Mary zeiden dat ze niet zouden komen.
Tom en Mary zeiden dat ze me nooit meer zouden zien.
Tom en Mary zeiden dat ze wisten dat John de race niet zou winnen.
Tom en Mary zeiden dat ze geen pijn hadden.
Tom en Mary zeiden dat ze dat wel zouden willen doen.
Tom en Mary zeiden dat ze bereid waren om te rijden.
Tom en Mary zeiden dat ze vroeg zouden komen.
Tom en Mary zeiden dat ze zouden wachten.
Tom en Mary zeiden dat ze daar geen energie voor hadden.
Tom en Mary zeiden dat ze boos waren.