Bekijk voorbeeldzinnen, synoniemen en woordvormen van Zwartgallig.

Zwartgallig

Zwartgallig betekenis

melancholisch, somber

Voorbeeldzinnen (20)

Maar misschien mis ik iets en zie ik het te zwartgallig.

Dus zeker niet zwartgallig zijn!

En, geheel de Arnhemse volksaard, meer dan eens ook zwartgallig of zelfs negatief over hun club.

Ik snap dat het vak dat met zich mee kan brengen, dat je zwartgallig kunt worden omdat je zo veel bezig bent met de zelfkant van de maatschappij, maar ik merk daar zelf absoluut niets van.

Daar naast ben ik het volledig met The Third Man eens, je ziet het allemaal te zwartgallig in.

Ik ben vandaag gelukkiger dan vroeger, maar ik kan op bepaalde momenten van de dag heel zwartgallig zijn.

Maar dat het een zwartgallig en herkenbaar programma wordt, doorspekt met onderkoelde humor, lijkt onvermijdelijk.

Ik denk niet dat Thierry nazi sympathieën heeft maar dat hij in een vlaag van verstandsverbijstering of in blinde woede in uiterst zwartgallig sarcasme is vervallen.

Over de naam Zwart zegt de omroep: “Zwartgallig.

Zelden kreeg een expert als topeconoom en NY Times columnist Paul Krugman met zijn zwartgallig commentaar na de verkiezingszege van Trump zo ongelijk.

Dit is ook de verklaring waarom de Carthagers als een ruig en zwartgallig volk werden gezien.

Hobbel is een somber en zwartgallig figuur, die overal onheil en boze voortekenen ziet.

Apple schijnt het liever iets minder zwartgallig in te steken.

Een week na de uitzending van ’zijn’ documentaire ziet het leven van Rudi Lubbers er een stuk minder zwartgallig uit.

Eens, en Van Rossem constateert prima van alles wat er mis is, maar is te zwartgallig vwb de toekomst.

Ik ben wat zwartgallig vandaag.

Je zou er zwartgallig van worden.

Straks denken ze nog dat wij pigmentbehepten zwartgallig vinden.

Zwartgallig?, zal wel, de feiten liggen er al een hele tijd en zijn zichtbaar voor degene die het wil zien.

Het beeld wordt onderschreven door diverse onafhankelijke experts, al vindt een enkeling McKinsey's analyse te zwartgallig.